Sociale & fiscale hervormingen van het statuut sportbeoefenaar

Vergoedingen
Sportclubs

Verduidelijken van het begrip ‘jonge sportbeoefenaar’

Tot en met 2021 was de fiscale wetgeving voor betaalde sporters niet altijd duidelijk. Zo werden voor het statuut 'jonge sportbeoefenaar twee leeftijdslimieten toegepast. Hierdoor was er een verschil tussen spelers jonger dan 23 jaar en spelers jonger dan 26 jaar. Dit is sinds 1 januari 2022 verleden tijd. Een sportbeoefenaar wordt nu als 'jong' beschouwd indien hij of zij de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt.

Als gevolg zullen sportbeoefenaars die op 1 januari van het aanslagjaar jonger zijn dan 23 jaar (vroeger 26 jaar) op de eerste inkomensschijf van 21.010 EUR belast worden tegen een afzonderlijk tarief van 16,5 %. Amateursporters ouder dan 23 jaar (vroeger 26 jaar) worden op deze eerste inkomensschijf afzonderlijk belast aan 33%. Professionele sportbeoefenaars, ouder dan 23 jaar (vroeger 26 jaar), zullen belast worden aan de progressieve tarieven van de personenbelasting.

Overgangsbepaling

Een overgangsbepaling werd voorzien voor de sportbeoefenaars die op 1 januari 2022  23, 24 of 25 jaar zijn. Zij zullen nog van deze gunstmaatregel kunnen blijven genieten tot ze 26 jaar zijn.

Verlaging vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing

De regeling rond de vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing werd ook gewijzigd. Voor 2022 waren sportclubs die bezoldigingen of sportbeoefenaars betalen, vrijgesteld om 80% van die bedrijfsvoorheffing door te storten.
Een sportclub moest hierdoor maar 20 procent bedrijfsvoorheffing doorstorten.

Dit percentage is naar aanleiding van de nieuwe programmawet gedaald naar 75%. Aan deze vrijstelling waren en zijn nog steeds voorwaarden gekoppeld (bv. voorwaardelijke vrijstelling) op de bezoldigingen voor “oudere sportbeoefenaars”. Zo dient men te herinvesteren in jeugd (zogenaamde bestedingsplicht). Deze bestedingsplicht van de niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op sportbeoefenaars wordt door de programmawet verstrengd. Zo zal vanaf inkomstenjaar 2022, 55% (vroeger 50%) van de niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing verplicht moeten worden besteed aan de opleiding van sportbeoefenaars jonger dan 23 jaar. De overige 45% is door de sportclubs vrij te besteden.

Sociale luik

Het heilige huisje waarbij de goed betaalde sportbeoefenaars slechts sociale bijdragen (zowel de patronale als persoonlijke) betalen op een maximaal maandelijkse bezoldiging van 2.474,22 euro werd gesloopt.

De krijtlijnen van deze wijzigingen zijn gebaseerd op de intentie om (betaalde) sportbeoefenaars te laten bijdragen afhankelijk van de hoogte van de bezoldiging en volgens de normale regels die gelden voor de werknemers rond sociale zekerheid.

Het uitgangspunt voor de berekening van de werknemersbijdragen is nog steeds de 13,07%, die wordt berekend op de werkelijke maandelijkse bezoldiging van de sportbeoefenaar. Daarna wordt een algemene maandelijkse korting van 281,73 euro, een werkbonus voor de lage lonen én een doelgroepvermindering van 60% op het saldo aan werknemersbijdragen toegepast. Voor de berekening van de werkgeversbijdragen wordt uitgegaan van een bijdrage van (25% + 1,69% =) 26,69% op de werkelijke maandelijkse bezoldiging van de sportbeoefenaar.

Daarna wordt er een doelgroepvermindering voor lage lonen (indien kwartaalsalaris < 9400 EUR) én een vermindering van 65% van het 25% gedeelte toegepast om de uiteindelijke werkgeversbijdragen te bekomen.

Deze sociale maatregelen gelden voor alle betaalde sportbeoefenaars en ook voor degenen die niet boven de drempel van 10.800 euro zitten.

 

Conclusie: om (amateur)sportclubs niet te benadelen werden bovenstaande maatregelen in het leven geroepen. Met deze maatregelen gaan (amateur)sportclubs er zelfs financieel op vooruit. Zo zijn er op de ‘lagere’ lonen nog amper of geen werknemers- of werkgeversbijdragen van toepassing, zo wordt het statuut voor alle betaalde sporters aantrekkelijk.

Afbeelding
wielrenner
Afbeelding
VSF